WinkelmandjeBekijk/wijzig inhoud ×
  • Er zitten geen programma's in het winkelmandje.

Menu

2020/1

Beoordeling van suïciderisico

Auteurs: Groot, M.H. de en Winter, R.F.P. de
3
Accreditatiepunten te behalen tot: 25 februari 2022

Deze nascholing is ontwikkeld om hulpverleners te leren suïciderisico’s systematisch in te schatten. De methode die we in deze nascholing trainen, wordt in de multidisciplinaire richtlijn voor diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag aanbevolen. We vertellen over achtergronden van suïcidaal gedrag: cijfers, trends, verklaringsmodellen en principes voor in de praktijk. We besluiten met een klinisch differentiatiemodel voor suïcidaal gedrag dat we een aantal jaren geleden ontwikkelden.
Onze overtuiging is dat het gebruik van het klinisch differentiatiemodel kan leiden tot meer evidence-based handelen rond suïcidaal gedrag. Dat handelen bestaat niet alleen uit het beoordelen van suïciderisico’s, maar uiteraard ook uit het handelen na een risicobeoordeling. Ons uitgangspunt is dat het één niet zonder het ander kan. Echter, in deze nascholing ligt de focus op het leren beoordelen van het suïciderisico.

De nascholing bestaat uit teksten die worden onderbroken door vragen en opdrachten. De vragen en opdrachten zijn samengesteld met de bedoeling om de aangeboden stof te begrijpen, de cursist te prikkelen om zijn of haar gedachten en gedrag te (her)overwegen en om te oefenen met het systematisch beoordelen van suïcidaal gedrag volgens de methode die we stap-voor-stap doorlopen. Ook streven we ernaar dat de cursist kennismaakt en oefent met de toepassing van enkele principes die in de geldende praktijkrichtlijnen worden aanbevolen.

Veel personen met suïcidaal gedrag belanden in de eerste- of tweedelijns geestelijke gezondheidszorg (ggz). De Nederlandse en Vlaamse richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag zijn richtinggevend voor de beoordeling van suïciderisico’s. Contact maken over de wanhoop en de weging van stress- en kwetsbaarheidsfactoren en beschermende factoren voor suïcide vormen de basis voor een beoordeling. Verondersteld wordt dat een klinische beoordeling van het suïciderisico betrouwbaarder is dan een beoordeling met een meetinstrument. Een klinische beoordeling berust op kennis over risicofactoren en beschermende factoren voor suïcide en op de mate van entrapment (het gevoel in de val zitten), maar ook op intuïtie en klinische ervaring van de beoordelaar. Meetinstrumenten zijn geschikt als aanvulling op een klinische beoordeling en voor de toepassing in wetenschappelijk onderzoek. Er zijn enkele meetinstrumenten beschikbaar met excellente psychometrische eigenschappen.

Dankzij trainingen op het gebied van suïcidepreventie en het omgaan met suïcidaal gedrag zijn hulpverleners steeds vaardiger geworden in het bespreken van suïcidegedachten. Dit heeft echter nog niet geleid tot een afname van suïcide of suïcidepogingen onder personen die in zorg zijn bij de ggz. Ter verbetering van de beoordeling van suïciderisico’s presenteren we in deze nascholing een model voor klinische differentiatie van suïcidaal gedrag. De gedachte achter deze differentiatie is dat er verschillende paden zijn die leiden naar suïcide. Elk pad vertegenwoordigt een type suïcidaal gedrag en elk type verlangt een specifieke behandeling. De huidige richtlijnen bieden hiervoor aanknopingspunten. De hypothese is dat door klinische differentiatie van suïcidaal gedrag de behandeling van het gedrag effectiever wordt dan momenteel het geval is. Klinische differentiatie van suïcidaal gedrag zou kunnen leiden tot effectievere suïcidepreventie in ggz-populaties.

Inhoud

Blok A Achtergronden van suïcidaal gedrag
A1 Definitie, cijfers en trends
A2 Hulp zoeken bij suïcidaal gedrag
A3 Het handelen van hulpverleners bij suïcidaal gedrag
A4 Training in suïciderisicobeoordeling
A5 De diagnostische formulering van suïcidaal gedrag

Blok B Beoordeling van het suïciderisico met meetinstrumenten
B1 Problemen met de validiteit van meetinstrumenten

Blok C Klinisch onderzoek voor de beoordeling van het suïciderisico
C1 Het belang van werken vanuit een theoretisch kader
C2 Stress-kwetsbaarheid en entrapment
C3 Systematisch onderzoek aan de hand van het CASE-interview
C4 Samenwerken met naasten bij suïciderisicobeoordeling

Blok D Perspectief op verbetering van suïciderisicobeoordeling
D1 De effectiviteit van suïciderisicobeoordeling
D2 Differentiatie van suïcidaal gedrag
D3 Differentiatie als strategie voor effectievere diagnostiek en behandeling
D4 Criteria voor klinische differentiatie van suïcidaal gedrag

Actie en verantwoording
Nadere bespreking van de vragen en casuïstiek 
Literatuur 
Afsluitende toets

Accreditatie

Voor dit nascholingsprogramma is onder ID 387515 voor 3 punten accreditatie toegekend.

Over de auteurs

Marieke de Groot is als onderzoeker verbonden aan de Vrije Universiteit,  afdeling klinische psychologie. Ze was als auteur en eindredacteur betrokken bij de ontwikkeling van de multidisciplinaire richtlijn voor diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag. Met collega’s ontwikkelde ze de PITSTOP-training waarmee hulpverleners worden getraind in de beoordeling van suïciderisico’s. Ze werkt als sociaalpsychiatrisch verpleegkundige bij Lentis FACT Delfzijl en doet onderzoek op het gebied van de beoordeling en behandeling van suïcidaal gedrag in de praktijk van de ggz.

Remco de Winter is psychiater en geneesheer-directeur bij Rivierduinen. Verder is hij als onderzoeker aan de VU verbonden. Hij publiceert regelmatig over suïcidaal gedrag, in het bijzonder binnen de ggz.

Belangenconflicten: geen.

Doelstellingen van dit nascholingsprogramma

Na afloop van dit nascholingsprogramma:

  • kunt u benoemen welke gedragingen onder suïcidaal gedrag worden gerekend;
  • kunt u het beloop beschrijven van suïcidecijfers in Nederland in de laatste vier decennia;
  • bent u ervan op de hoogte hoe het komt dat wijzigingen in het beloop van suïcidecijfers moeilijk te verklaren zijn;
  • kunt u benoemen welke factoren bijdragen aan het verhoogde suïciderisico in ggz-populaties ten opzichte van de algemene populatie;
  • weet u welke factoren er aan bijdragen dat suïcide op het niveau van de individuele patiënt moeilijk te voorspellen is;
  • ben u in staat om te beargumenteren welke gevalideerde meetinstrumenten geschikt zijn om het resultaat van interventies om suïcidaal gedrag of suïcide te voorkomen te meten;
  • kunt u beschrijven hoe naasten van de patiënt kunnen worden betrokken bij de diagnostiek en de behandeling van suïcidaal gedrag;
  • bent u in staat om het suïciderisico systematisch te beoordelen aan de hand van de uitkomsten van het CASE-interview;
  • bent u in staat om de uitgangspunten van het geïntegreerde model voor suïcidaal gedrag van stress-kwetsbaarheid en entrapment te betrekken in de risicotaxatie;
  • kunt u risicofactoren en beschermende factoren voor suïcide afwegen voor een suïcidale patiënt;
  • weet u hoe u deze afweging kunt weergeven in een diagnostische formulering (structuurdiagnose) van het suïcidale gedrag;
  • kunt u suïcidaal gedrag van een individuele patiënt te typeren aan de hand van het model voor klinische differentiatie van suïcidaal gedrag;
  • bent u in staat om evidence-based interventies bij de verschillende typen suïcidaal gedrag te integreren in het multidisciplinaire behandelbeleid.

Bronnen bij dit programma

Let op: toegang tot aanvullende content is voorbehouden aan deelnemers

  • NVVP

    NVVP

Inloggen