WinkelmandjeBekijk/wijzig inhoud ×
  • Er zitten geen programma's in het winkelmandje.

Menu

2020/8

Suïcide en suïcidaal gedrag

Auteur: de Winter, R.F.P.
2
Nascholingspunten te behalen tot: 11 december 2022

De huisarts heeft vaak te maken met suïcidaal gedrag dat kan worden opgevat als een symptoom dat zich uitstrekt over diverse psychiatrische aandoeningen. Ook komt suïcidaal gedrag voor zonder dat er sprake is van een ‘harde’ classificatie voor een psychiatrische of persoonlijkheidsstoornis en lijkt het soms meer bij een ingewikkeld existentieel gedachtenpatroon te passen. Er zijn volgens de DSM 5 overigens maar twee classificaties waarin suïcidaal gedrag is opgenomen als symptoom: de borderline persoonlijkheidsstoornis en de depressieve stoornis. Suïcide is een eindpunt van suïcidaal gedrag dat we niet goed kunnen voorspellen. Het toont aan dat we als hulpverleners regelmatig met een levensbedreigende aandoening hebben te maken en dat sterfte óók een uitkomst kan zijn, zelfs na professioneel interveniëren. Ons handelen is in het algemeen gericht op risicoreductie en is vaak gebaseerd op gezond verstand, en een suïcide is een zeldzame uitkomst van suïcidaal gedrag. De auteur schat dat de werkzame huisarts gemiddelde eenmaal in de zes tot zeven jaar direct met een suïcide wordt geconfronteerd, terwijl er wekelijks een herkende of niet herkende patiënt is met suïcidaal gedrag en er een keer per een tot twee maanden sprake is van een patiënt die een suïcidepoging doet.

Een suïcide heeft grote impact op nabestaanden en hulpverleners. Het is na een suïcide vaak moeilijk hoe er moet worden gehandeld, omdat zowel de nabestaanden als de behandelaar of het behandelteam met tegenstrijdige gevoelens worden geconfronteerd. Na een suïcide kan de rouw bij een behandelaar samengaan met het incasseren van zowel de rouw als de woede van nabestaanden. Ook voor de huisarts is het vaak ingewikkeld. Vanuit de praktijk kent de auteur een aantal huisartsen die zich zeer machteloos voelden en handelingsverlegen. Ze maakten zich grote zorgen om een patiënt, maar het lukte niet goed om de patiënt te verwijzen naar de gespecialiseerde ggz. Soms doordat de ggz geen goede ingang of weerstand bood, maar ook doordat patiënten iedere vorm van hulpverlening afhielden en er geen goede ingang leek te zijn voor een andersoortige beoordeling. In 2012 is de Multidisciplinaire richtlijn diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag verschenen en in 2018 is de generieke module Diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag gepubliceerd. Verder is ook de NHG-Standaard Depressie zinvol. Het zijn gedetailleerde documenten bestemd voor iedere hulpverlener die te maken kan krijgen met suïcidaal gedrag. In deze nascholing wordt veelvuldig naar deze richtlijnen verwezen en eruit geciteerd.

Deze nascholing beoogt een (beknopte) vertaling naar de huisartspraktijk maken. Iedere huisarts krijgt te maken met risicotaxatie bij suïcidaal gedrag. Er is echter weinig hard wetenschappelijke bewijs beschikbaar en daardoor zijn (klinische) ervaring, kennis en ontwikkelde intuïtie van extra belang. Het pluis/niet-pluisgevoel is een belangrijke graadmeter. Verder is een goede communicatie met de patiënt en zijn naasten essentieel. Er wordt geadviseerd om collega’s te betrekken bij lastige diagnostiek en beleid of twijfel rondom risicotaxatie. Taxatie van suïcidaal gedrag is uiteindelijk geen harde wetenschap. Deze nascholing bespreekt de algemene principes van suïcidaal gedrag en suïcide. Ook wordt de risicotaxatie van suïcidaal gedrag besproken. Verder wordt ingaan op differentiatie van suïcidaal gedrag en het handelen rondom suïcidaal gedrag. Acuut en chronisch suïcidaal gedrag komen kort aan bod en er wordt gekeken naar enkele mogelijkheden voor begeleiding. Ten slotte wordt ingegaan op de handelwijze na een suïcide en de omgang met nabestaanden.

Accreditatie

Voor dit nascholingsprogramma is voor 2 punten accreditatie toegekend onder ID 412763 voor huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde en artsen verstandelijk gehandicapten.

Inhoud

BLOK A Suïcidaal gedrag en suïcide
A1 Algemene kenmerken
A2 Risicotaxatie en diagnostiek
A3 Methodologie interview

BLOK B Differentiatie, behandeling en nazorg
B1 Differentiatie van suïcidaal gedrag
B2 Behandeling van suïcidaal gedrag
B3 Nazorg en evaluatie na suïcide

Actie en verantwoording
Nadere bespreking van vragen en casuïstiek
Literatuur
Afsluitende toets

Auteur

Dr. Remco F.P. de Winter is psychiater en geneesheer-directeur bij GGZ Rivierduinen. Hij was tussen 2011 en 2018 de Nederlandse vertegenwoordiger voor de International Association for Suicide Prevention (IASP). Verder is hij als onderzoeker verbonden aan de VU en de Parnassia-groep en publiceert hij regelmatig over suïcidaal gedrag, in het bijzonder binnen de ggz.

Belangenconflicten: Geen.

Doelstellingen

Na afronding van dit nascholingsprogramma:

  • hebt u meer kennis over en inzicht in suïcidaal gedrag en suïcide;
  • hebt u globale kennis over de in Nederland beschikbare richtlijnen en weet u ze te vinden;
  • kunt u bij een patiënt met suïcidaal gedrag een globale risicotaxatie maken;
  • kunt u de CASE-benadering, een specifieke interviewmethode, hanteren;
  • hebt u kennis van en een visie op de differentiatie van suïcidaal gedrag;
  • weet u beter hoe te handelen na een suïcide.

  • Accreditatie bureau cluster 1

    Accreditatie bureau cluster 1
  • Nederlandse Vereniging van Artsen voor Verstandelijk Gehandicapten

    Nederlandse Vereniging van Artsen voor Verstandelijk Gehandicapten
  • Verenso

    Verenso

Inloggen